Stadhuis
Over de exacte datum waarop het eerste stadhuis gebouwd is, bestaat geen duidelijkheid. Het huidige stadhuis is zeker niet het eerste stadhuis. Tienen heeft door de eeuwen heen namelijk drie stadskernen gehad. In de Frankische periode bevond het centrum zich in de huidige stationswijk. Het tweede centrum situeerde zich op de huidige Veemarkt. Daar zou, omstreeks 1380, ook het eerste stadhuis opgericht zijn, ter hoogte van de huidige dekenij. Dit gebouw werd gedeeltelijk verwoest in 1589. Na de verwoesting van Tienen in 1635, waarbij het stadhuis en het archief volledig in vlammen opgingen, verhuisde het stadscentrum naar de huidige Grote Markt. Verschillende panden dienden ondertussen als stadhuis totdat het stadsbestuur in 1711 een patriciërswoning in Vlaamse renaissancestijl aankocht van de familie Immens.
De stadsarchitect François Drossaert ontwierp in 1835 een nieuwe, neoclassicistische voorgevel voor de woning. Het stadhuis doet nu denken aan een Griekse tempel. De voorbouw bestaat uit gaanderij gedragen door zes arduinen pijlers. Boven de vensters, met driehoekig fronton, bevinden zich ronde nissen met zeven vergulde borstbeelden van historische figuren: Keizer Karel V, schilder Pieter Paul Rubens, schilder Antoon Van Dijck, schilder - architect Wenceslas Couberger, grondlegger van de anatomie Vesalius, humanist Justus Lipsius en musicus André Ernest Gretry. Zes Corinthische zuilen dragen de kroonlijst.
In 1897 werd het stadhuis voor een eerste maal vergroot door de aankoop van het aanpalende huis Nihoul, gelegen langs de Grote Markt. Door een tweede aankoop 75 jaar later, dat van huis Delacroix, op de hoek van de Peperstraat, werd in 1979 een aanzienlijk vergroot stadhuis geopend.
De ster
De ster (of windroos) is niet het middelpunt van België of, zoals velen durven beweren, van Tienen. Dit was de plaats waar de schandpaal stond of het schavot werd opgesteld. De laatste terechtstelling met zwaard werd uitgevoerd in 1636. In 1845 werd hier voor het laatst een veroordeelde aan een schandpaal gebonden. Twee jaar later vond er de laatste terechtstelling in Tienen plaats. Dit gebeurde met een geleende guillotine.
Op deze plaats werden bovendien de vrijheidsbomen geplant. Deze bomen werden op een openbare plaats geplant ten teken van de verkregen vrijheid. In 1792 gebeurde dit onder meer om te vieren dat de Oostenrijkers verslagen werden door de Fransen. Maar toen de Oostenrijkers in 1793 Tienen terug binnenvielen werden deze bomen weer uitgetrokken.
Op 13 september 1810 werd beslist om de Grote Markt te plaveien. Toen werd ook de legendarische "windroos" in witte Gobertagnestenen aangelegd. De achtpuntige windroos wijst met één van zijn punten naar het noorden en kan daarom ook als kompas gebruikt worden.
Heldensquare
Naast de O.-L.-V.-ten-Poelkerk bevindt zich een monument ter ere van de oorlogsslachtoffers van 1830, 1914-1918 en van 1940-1945. Het monument is gebouwd in een moderne vormgeving met de meest eenvoudige volumes. Het is meer dan een monument op zich. De ruimte is op een halve meter hoogte volledig ommuurd. Een paar toegangspaden zorgen voor een onderbreking. De bodem is verlaagd, zodat een tweede lager gelegen ommuring een zitkuil vormt. Op een natte dag kan zich hier een uitgestrekte plas vormen, symbolisch voor de vroegere poel die zich op deze plaats bevond.
Globaal gezien geeft het monument de indruk van een tempelruïne, niet voor wat de stijl, maar wat de elementen betreft: zuilen, omringd met muren van verschillende hoogten, inscripties zoals "Eendracht maakt macht", een offeraltaar (symbool voor het offer van hun leven) en een vloermozaïek. Deze mozaïek heeft de vorm van de kaart van België, onderverdeeld in negen provincies met daarop de vermelding van de belangrijkste Belgische rivieren en van de stad Tienen. Verder vind je op de muur het wapen van België en de zin: "Voor uw vrijheid zijn mensen gestorven".
Rechts staat een monument bestaande uit vijf rechthoekige zuilen met de symbolische afbeelding van de soldaten, de weerstanders (met naakte borst en gebalde vuist), de politieke gevangenen, de burgerlijke slachtoffers (vrouwen en kinderen) en de weggevoerden. Daartussen staat een koepel in brons met de symbolen van de wetenschappen, de kunsten, de nijverheid en de landbouw. Rond de koepel werden vier stenen geplaatst waarop de plaatsnamen Dachau, Zwickau, Stalag IA en Breendonk staan, waarvan grond in urnen mee naar Tienen werd gebracht.
Standbeeld 'De groene'
Voor de legendarische 'boomkes', een plantsoen van wilde kastanjes, staat het bronzen standbeeld van de hand van de beroemde Antwerpse beeldhouwer Jef Lambeaux. Het werd onthuld op zondag 6 augustus 1905, ter herdenking van de 75ste verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid. Door de patina van het brons is dit monument groen geworden, zodat de volksmond spreekt van 'De groene' of 'Groene Jef'. Met opgeheven arm de sabel zwaaiend en steunend op het geweer, moet hij op pathetische wijze de strijdvaardigheid van de Tienenaars uitbeelden. De beeldhouwer Jef Lambeaux, ook auteur van de Brabo-fontein op de Antwerpse Grote Markt, heeft het idee op een romantisch-realistische manier proberen uit te drukken.
Het Suikermuseum (voormalig Vredegerecht)
Het gebouw werd in 1846 door stadsarchitect François Drossaert opgetrokken. Op dezelfde plaats bevond zich het Corps de Garde (in de volksmond Kottegoar genoemd), de huisvesting van de burgerwacht.
In dit gebouw werd later het Vredegerecht ondergebracht, maar ook het politiekantoor, het bureau van de Burgerlijke Godshuizen en het Bureau der Octrooien. Het deed tevens dienst als tekenschool en Bureau voor openbare Werken.
De neoclassicistische voorgevel werd door Drossaert voorzien van een zuilengalerij, die doorgang verleent naar het achtergelegen pleintje en stedelijk museum 'het Toreke'. Oorspronkelijk was deze galerij bedoeld als overdekte marktplaats. Daarom werd het volledige gebouw vroeger ook wel de stadshalle genoemd, evenwel niet te verwarren met de lakenhalle die achter het stadhuis gevestigd was.
In 2002 werd het gebouw geopend als Suikermuseum. De idee kwam tot stand toen men in 1988 het 150-jarig bestaan vierde van de Tiense Suikerraffinaderij. Eerst zou een nieuw museum gebouwd worden op de plaats van het stadsarchief. Maar uiteindelijk is men van deze plannen afgestapt en heeft men het voormalige Vredegerecht gekozen als locatie. Via een interactief audiovisueel systeem wordt de bezoeker in vier stappen geconfronteerd met de belangrijkste aspecten van de suikerbietenteelt en de verwerking tot suikerproducten.
Het Toreke (voormalige stadsgevangenis)
De voormalige stadsgevangenis werd gebouwd in 1848 naar de plannen van architect François Drossaert. Na de restauratie in 1978 werd het ingericht als museum.
Na 20 jaar werd het museum gerenoveerd en gevoelig uitgebreid. Hierbij werd niet alleen de tentoonstellingsruimte verdubbeld, maar werd ook voldoende ruimte voorzien om in optimale omstandigheden museumstukken te bewaren.
In het oudste gedeelte van het museum krijgen de unieke vondsten van de Gallo-Romeinse opgravingen een plaatsje, terwijl in de nieuwe tentoonstellingsruimte vooral aandacht wordt geschonken aan de Hagelandse geschiedenis tussen de 16de en de 20ste eeuw. In beide tentoonstellingsruimten werd de collectie opgebouwd rond de thema’s bidden, werken en feesten. Tijdens het bezoek aan het moderne museum maakt men kennis met het verleden door middel van de nieuwste technologische en audiovisuele middelen. Regelmatig vinden er tijdelijke tentoonstellingen plaats.
De Tinnen Schotel
De voormalige herberg was reeds in de 16de eeuw bekend onder de naam de 'Scheuleer' of de 'Schotel'. In de 18de eeuw dook ook de benaming "Hôtel d'Autriche" op. De eigenaar Pierre Goossens beschreef deze herberg toen als een gebouw met een stijlvolle gevel, een grote toegangspoort en hoge vensters. De huidige voorgevel wordt bepaald door de verbouwingswerken die in 1830 door de architect Philippe Robbiets werden uitgevoerd. Thans is het een dubbel huis in Lodewijk XVI-stijl, bestaande uit drie verdiepingen en een zadeldak met venster. De voorgevel werd opgetrokken in de typische kalkzandsteen uit de streek. Aan de straatkant is de rondboog van de koetspoort afgezet door een guirlande. In de hoeken bevinden zich bladmotieven. Het balkon rust op zware gebeeldhouwde consoles. De smeedijzeren balustrade die over de gehele voorgevel is doorgetrokken, is uniek. Boven de poort overheerst een hoog rondboogvenster, dat zowel de eerste als de tweede verdieping beslaat.
Door de eeuwen heen bood de herberg onderdak aan enkele notoire gasten: o.a. Napoleon, Mozart, Wellington en Blücher. Toen de nieuwe spoorverbinding Brussel-Luik (1837) de stad aandeed en niet via het centrum passeerde, verloor dit centraal gelegen logementshuis sterk aan belang. Vooraleer men de herberg ombouwde tot de luxueuze privéwoning van burgemeester en industrieel Victor Beauduin was hier een tijdje een ijzerhandel gevestigd.
In 1908 werd beslist om de woning om te bouwen tot een school, het "Institut Victor Beauduin", later het Provinciaal Instituut voor Technisch Onderwijs. In 1986 verhuisde deze school naar een andere locatie en werd in het gebouw de stedelijke dienst voor cultuur en de stedelijke academie voor muziek, woord en dans ondergebracht.
[Bron: brochure 'Langs Vlaamse Wegen' - VTB-VAB vzw]