Gasthuismolen
Molens zijn altijd al belangrijk geweest voor energiewinning. Rond 1850 waren in Tienen nog dertien molens actief, waarvan vier bloemwatermolens, vijf olierosmolens, een bloemwindmolen, een oliewatermolen, een schorswatermolen en een aardappelmolen. Vandaag is alleen nog de Gasthuismolen in zijn volle glorie bewaard. De oude gevel werd in 1924-25 volledig vervangen door een nieuwe.
De vroegere watermolen werd voor het eerst vermeld in 1282. Oorspronkelijk werd hij de "Brugmolen" genoemd. Toen was de molen eigendom van het kapittel van de kathedraal van Luik. In de 18de eeuw werd deze benaming, omwille van de nabijheid van het oude Sint-Jansgasthuis, vervangen door "Gasthuysmolen"(1717). Later werd hij door de toenmalige eigenaars, de familie De Wilde de "Molen van De Wilde" genoemd. Deze familie De Wilde bleef eigenaar tot het einde van de 19de eeuw. Sinds 1943 is er een dieselmotor geïnstalleerd voor het malen en vervaardigen van veevoeders. Het waterrad en de sluis zijn ondertussen volledig verdwenen.
Sint-Helenasluis
De omgeving van de driebek, gevormd door de Gete, de Borggracht en de Sint-Helenasluis, dateert uit 14de eeuw. De sluis werd vroeger de Roos genoemd. De huidige naam verkreeg zij in de 19de eeuw van enkele Tiense sympathisanten van Napoleon. Twee van hen, Antoine Pasch en Charles Verlat, deden een aanvraag om een herberg aan de sluis te beginnen. In 1870 kreeg de herberg de naam "Ile Saint-Hélène" naar het eiland waarnaar Napoleon verbannen was. De herbergnaam werd later ook gebruikt ter aanduiding van de sluis en de vesten.
In het begin van de jaren ‘80 werd de Sint-Helenasluis gerestaureerd. Het is één van de vele sluizen die op de Gete en haar bijrivier de Mene gelegen waren, en die het waterdebiet regelden voor de watermolens. Het sluisgebouw (17de eeuw) is overwegend in bak- en zandsteen opgetrokken. Het steunt op een rondboog die de Borggracht overspant. Het gerestaureerde gebouw vertoont slechts een paar kenmerken uit de traditionele stijl: de in vlechten gelegde zijpuntgevel met topstuk en de steigergaten onder de daklijst.
Sint-Janshospitaal
De 'Tiense furie', die in 1635 plaatsvond, had ook hier zijn verwoestende invloed. Alle gebouwen van het Sint-Janshospitaal gingen in dat jaar in vlammen op. De heropbouw startte in 1636 en duurde zelfs tot in 1661. De nu vervallen, nog bestaande gebouwen kunnen op grond van bouwtechnische kenmerken in drie delen worden opgesplitst. Het eerste huis is het minst goed bewaarde gedeelte van het voormalige Sint-Janshospitaal. Alleen de speklagen, de puilijst en de daklijstbalkjes herinneren aan de traditionele stijl. Rechts wordt het gebouw afgesloten door een zijtrapgevel van zes treden en een topstuk. Het tweede huis op huisnummer 16 t.e.m. 20 is een langhuis in traditionele bak- en zandsteenstijl van negen traveeën in twee bouwlagen met in de gevel kruisventers, speklagen en dak- en kroonlijsten.
Het derde gebouw met nr. 14, gelegen op de hoek van de Gasthuismolenstraat en de Kortestraat is een dwarshuis in traditionele bak- en zandsteenstijl dat bestaat uit twee bouwlagen en twee traveeën onder een zadeldak. De muren rusten op een lage, uitspringende sokkel met afgeschuinde plint. Voorts bevinden zich in de voorgevel originele zandstenen kroonlijsten en kruisvensters. Witte speklagen lopen horizontaal over het huis.
Spoorwegtunnel, Kumtich
Rechts van het brugje bevond zich de eerste spoorwegtunnel van België, gebouwd in 1837 over één enkel spoor. Hij was 990 meter lang en 5,5 meter hoog. Als dank omdat tijdens de werken geen erge ongevallen waren gebeurd, werd 50 meter verder een kapel gebouwd ter ere van Sint-Barbara. In 1845 werd een tweede tunnel over een tweede spoor aangelegd. Omdat één van beide tunnels instortte werden ze later afgebroken en werd heel de helling uitgegraven.
Het Weeshuis
Op 9 juni 1830 besprak de gemeenteraad het voorstel om een nieuw weeshuis op te richten op de site van het voormalige kapucijnenklooster. In 1834 vond de eerstesteenlegging plaats. De plannen van het gebouw werden getekend door stadsarchitect François Drossaert. Het grondplan, voorzien van twee vleugels, had de vorm van een trapezium. Op de linkervleugel kan men lezen dat dit de jongensvleugel was. De andere vleugel was voorzien voor de meisjes. De voorgevel vormt een zuilengang, rustend op een verhoging van zeven zware treden. Vier Ionische zuilen dragen een horizontaal hoofdgestel. Achter de vooruitstekende zuilengalerij bevindt zich een breed, neo-classicistisch ensemble van zandsteen.
Vandaag is achter de beschermde voorgevel een sociale woonwijk te vinden. Het gebouw kreeg deze functie in 1994 nadat men dit gebouw al enkele jaren had laten verkrotten. Nu is deze sociale woonwijk bekend onder de naam "Kapucijnenhof".
[Bron: brochure 'Langs Vlaamse Wegen' - VTB-VAB vzw]